18 okt. 2009

De Blauwbilgorgel




Onzin rijmen, daar ben ik een groot liefhebber van. Ik blijf het leuk vinden, rijmelarijen die nergens over gaan.
Cees Buddingh spant de kroon met zijn gedicht “De Blauwbilgorgel” (geschreven in 1943). Die Gorgel mag dan aan het eind van de rijm als een “kriks ineen schrompelen”, voor mij is hij onsterfelijk. Aan de serie Gorgelrijmen en het hele werk van Buddingh is zelfs een apart boekje gewijd. Geschreven door Wim Huijser en Peter de Roos (uitgeverij Aspekt 2007 ISBN 90-5911-581-3), getiteld “Raban, raban, raban, Buddingh’s Blauwbilgorgel met pensioen”.



“Alle onzin is nonsens, maar niet alle nonsens is onzin”, verklaarde Buddingh in een interview; hij zag zijn Gorgel serie als een intellectueel woordspel.
afbeelding: litho van Hans van Dokkum als ontwerp voor het boekomslag van Nieuwe Gorgelrijmen

Kees Stip, alias Trijntje Fop, is beroemd om zijn kolderieke dierenrijmen. Ik zocht natuurlijk naar versjes over honden.

Een mop zat samen met een does
Al tien jaar in de trein naar Goes.
De does sprak midden in het elfde:
“Het uitzicht blijft maar steeds hetzelfde”.
“Wat ik je brom,” zei toen de mop
“dit treintje is een treintje fop”.

En deze:
Een hond, tot speurhond opgeleid,
Ving in een minimum van tijd
De drie vermoedelijke daders
Alsook hun moeders en hun vaders.
En steeds nog speurend sprak de hond:
“Nu nog de moord, dan ben ik rond”.
Uit: Het grote Beestenfeest.Uitg. Bert Bakker, A’dam.

In de bundel "Beestenboel van Trijntje Fop" uitg.Elsevier Manteau staat de volgende:
Een jachthond in de buurt van Bonn
las altijd Goethe als hij kon.
"Zo leert men langzaam", sprak het beest,
"het vlees bedwingen door de geest.
Maar als ik meemag met de meute
ben ik dat allemaal vergoethe".

Van
Godfried Bomans is dit bekende korte versje

SPLEEN
Ik zit mij voor het vensterglas
onnoemelijk te vervelen.
Ik wou dat ik twee hondjes was,
dan konden we samen spelen.

Ook Michel van der Plas en
Daan Zonderland hebben heel wat nonsens bij elkaar gedicht
Daan Zonderland bezingt in 38 coupletten het wel en wee van de kok van Mariënbad. Deze had een vriend Sylvester, met een hond, zo blijkt in vers 15.
Sylvester had een hond die Hendrik heette
En die, als hij last had van een vlo,
Hiervan kennis gaf door zacht te zingen
Van do re mi fa sol la si do.

Sylvester en zijn hond die Hendrik heette
Gingen dikwijls samen aan de zwier,
Doch, terwijl zijn baas zwoer bij jenever
Dronk de hond uitsluitend bier.
___________

en dit kinderversje:
Er stond een hond te vissen
Aan de zee bij Callantsoog
En telkens als zijn dobber zonk
Dan ging zijn staart omhoog

En telkens als het mis was
Dan rammelde zijn maag
Dan kwam de dobber boven
En ging zijn staart omlaag.
_________________

Joh. C.P. Alberts dichtte:

Ik zag voor ‘t eerst in mijn bestaan
Een hond een urinoir in gaan
Om daar welopgevoed te plassen
Zoals dat ied’re hond zou passen
Doch maar zo zelden wordt gedaan.
________________
Zelfs Johnny Kraaykamp waagde zich aan een nonsens rijmpje:

Een grijze wolf wordt zeer geprezen
omdat hij Shakespeare heeft gelezen.
Hij zegt: “’t Is niet eenvoudig, snap je,
het zit veel dieper dan Roodkapje”.

hier laat ik het bij, onder de hyperlinks staat meer.

Geen opmerkingen: